Jeugdherinneringen aan het Eeltjemeer, deel 1

De wandeltochten.
De gemeente Dantumadeel pretendeert een groene gemeente zijn, en als voortvloeisel daarvan worden vele recreatieve voorzieningen gerealiseerd.
Daarvan is het fietspad vanaf de Teneweg onder Broeksterwoude naar het Galgehoog bij Rinsumageest er één.
Dit betonnen fietspad voert langs het Tuskenlytsen, de Galgesloot naar het Galgehoog, en gaat bijna zijdelings langs het Eeltjemeer.
Wij maken geregeld gebruik van dit fietspad, en iedere keer gaan mijn gedachten terug naar de zeventiger jaren: vanaf 1974 tot begin 1982 was ik hier veelvuldig te vinden.
Héél veel zelfs.

Ik was destijds bevriend met Tabe Lei die nu nog steeds woont op de boerderij waar hij ook geboren is aan de Hoogfenne.


Zelf woonde ik destijds bij mijn ouders in Damwoude. Het was dus iedere keer een fietstocht vanuit Damwoude via de Voorweg, Hereweg en Fennewei/Hoogfenne.
Maar het was de moeite waard, want het gebied rond het Eeltjemeer was min of meer een vrij gebied.
Recreatie was er nagenoeg niet, en het Eeltjemeer zelf lag er heel anders bij dan nu.
In de beginperiode was het Eeltjemeer ongeveer de helft van wat het nu is.
Als gevolg van zandwinning op grote diepte is de omvang steeds groter geworden, maar ook de vorm.
Wie vanaf het betonnen bruggetje in de Tuskenmarren naar het zuiden kijkt, ziet nu een groot stuk water.
Destijds liep hier gewoon een vaart in zuidelijke richting, met zowel links als rechts weiland.
Aan de linkerkant lagen diverse houten en ijzeren visbootjes van sportvissers.
Linksaf kon men dan varen naar het Gewei, die uitkwam op de Galgesloot waar nu dus het nieuwe fietspad bij langs voert.
Het Eeltjemeer zelf was eigenlijk een langwerpig water met een ligging van noordoost naar zuidwest. Helemaal achterin, in de zuidwestelijk hoek, lag een soort schiereiland met daarachter het “stjonkgot”: een zeer ondiep stukje water met een veenbodem die naar rotte eieren stonk zodra de bodem in beweging werd gebracht met de roeispanen of een kloet.
Zo’n zelfde landtong/schiereiland lag ook aan de zuidkant: je kon er met een roeibootje bijna helemaal omheen varen.
In tegenstelling tot het schiereiland bij het “Stjonkgot” was dit stuk goed begaanbaar.
Aan de zuidkant kon je dan de Roodkerkervaart invaren.
Door de eerdergenoemde zandwinning is alles nu anders, en is het veranderd in een vrij groot binnenwater.
De situatie vanaf de brug naar het noorden toe is onveranderd: de Ingeloon/loan is nog gelijk aan 40 jaar terug, en ook rechtsaf richting Rinsumageest (Galgehoog).
Het stukje vanaf deze driesprong naar de Wide Moark, en de Wide Moark zelf zijn gelukkig ook nog onveranderd.
Aan het einde van de Moark is nog steeds de vaart richting het noorden naar de Dokkumer Ee onder de Lauwersseewei door.
Vanaf het zanddepot kun je nog steeds richting Roodkerk, maar net als toe eindigt deze ondiepe vaart bij het Hjelbird: deze duiker is te laag om met een roeiboot onderdoor te varen.
Tot zover de locatie. De wandelingen van mijn vriend Tabe en mij begonnen altijd vanuit de ouderlijke woning, en vraag mij niet waarom, maar die voerden altijd direct naar de achterkant van de boerderij om vervolgens via de noordkant van het Eeltjemeer een ovale lus te maken rond dit meer en aldus weer op de Hoogfenne uit te komen.
Een dergelijke wandeling duurde altijd een hele middag al naar gelang we natuurlijk tegenkwamen. De tocht voerde door de landerijen maar ook over sloten (soms gewoon verspringen en andere keren met de polsstok) en een paar keer met een omweg om een paar vaarten heen die gewoon te breed waren voor een sprong met een pols.
En eerlijk is eerlijk, Tabe sprong gewoon beter en verder dan mij.
Ik was dan ook degene die altijd als eerste de laarzen vol drek of water had staan!
Ook hadden we niet altijd evenveel zin om die polsstok de hele middag mee te sjouwen, dus dan moesten we soms veel verder lopen dan mogelijk was.
Soms waren we rond theetijd weer terug maar ook heel vaak hadden we de gehele middag nodig. Dit “oponthoud” zat hem in het feit dat er in zo’n uitgebreid gebied altijd wel iets te vinden en te zien is: dode of gewonde vogels, eieren zoeken en rapen, een braakbal die we gingen uitpluizen, een dode snoek van meer dan een meter lengte langs de wal enz. enz.
En na een flinke storm zaten de rietkragen vol met dobbers en snoeren van onfortuinlijke vissers, die wij er dan met veel gepeuter weer uithaalden.
Ook gingen we vaak even een kijkje nemen in het zanddepot, op zoek naar fossielen en vreemde of juist mooie stenen.
Deze stenen rolden bij het opspuiten in het depot altijd naar het laagste punt, en als de bulldozer het geheel niet verspreid had waren het soms opeenhopingen van grind, van fijn naar grof.
Het heeft mij een paar mooie fossielen opgeleverd die ik nog steeds bewaar tezamen met vele andere uit de eigen regio.
De echte grote stenen en grote boomstronken en stobben die de zuigmond van de zandzuiger blokkeerden, werden door het personeel altijd naast de betonbrug op de wal gedeponeerd waar een soort tijdelijk depot was ingericht.
Omdat dit toch in de route lag was dit ook een vast onderdeel van de tocht.
De veldkeien waren meestal vrij snel verdwenen, waarschijnlijk verkocht aan liefhebbers van een rotstuin.
Ook de grote boomstammen en stobben vonden op deze manier hun weg.
Het traject vanaf deze brug richting “Stjonkgot” was de meest problematische, want hier waren de sloten breder zodat er vrij grote omwegen moesten worden gemaakt.
En natuurlijk moesten we dan aan de zuidkant weer om de Roodkerkervaart heen lopen.
Vooral aan deze zuidkant waren heel veel grote stobben te vinden in de walkant en de rietkragen. Deze stobben ( en sooms oon nog wel de bomen) waren vrij fors van afmeting.
Het waren-zijn overblijfselen uit de tijd dat dit gehele gebied nog een moerasachtig gebied was.
De stobben en bomen hadden vaak een diameter van meer dan een meter.
Het was ook aan deze zuidkant waar de walkant door de boeren waren “versterkt” met bouwpuin tegen verdere afkalving van het weiland.
En het was iedere keer weer leuk om tussen dat puin naar vondsten te zoeken: potscherven, kapotte wandtegeltjes, pijpenkopjes enz. Door het continu bewegen van het water was dit puin helemaal schoongespoeld, en doordat er telkens weer een deel in het water verdween tijdens de stormen, was er altijd wel weer iets nieuws te vinden.
En op die leeftijd is dat gewoon een heel spannende plek, zeker als je dan geïnteresseerd bent in oude voorwerpen en bouwmaterialen.
Datzelfde gold ook voor de vele oude potscherven die we overal tegenkwamen in de veenachtige grond rond het Eeltjemeer.
Zelfs als we de molshopen uiteenschopten kwamen ze al aan het daglicht, en ook in de walskanten na het hekkelen van de sloten.
Het zijn echt hele oude scherven, waarvan ik nooit heb begrepen waarom ze juist daar zoveel te vinden zijn.
Een andere vindplaats van heel veel oude voorwerpen was het perceeltje grond op de T splitsing waar de Ingeloon uitkomt op het Galgehoog.
Komende vanaf de brug was het dan het laatste perceeltje aan de linkerhand.
Dit lag in verhouding vrij hoog, dus waarschijnlijk is dit materiaal aangevoerd om de laaggelegen delen mee op te hogen.
Maar ook hier was altijd heel veel te vinden voor degene die de ogen goed de kost gaven: oude geeltjes, kloostermoppen, oude medicijn en inktflesjes, zalfpotjes, pijpenkopjes en soms estriken. Maar ook heel veel troep, waar je nu flink voor zou moeten betalen om het af te voeren.
Dit was toen echter niet ongebruikelijk, want op heel veel plaatsen rond het Eeltjemeer werd gestort, en dan niet alleen bouwpuin, maar olievaten met inhoud, asbest, wasmachines etc. etc.
Vooral de plek waar nu het recreatiegebiedje is gerealiseerd vlak voor de brug in de Tuskenmarren lag vol met alles wat maar opgenoemd kan worden, maar ook achterin bij het “Stjonkgot” waren heel regelmatig wasmachines en koelkasten te vinden, net als aan de noordkant van het Gewei.
Dergelijke locaties waren voor zover ik mij kan herinneren niet te vinden bij de Moark, maar wel heel veel aan het Galgehoog richting Rinsumageest zowel aan de noord als de zuidkant.
Wat wel overal voorkwam was het verbranden van vuil en afval op de oevers, vooral veel hout, plastic en autobanden.
Maar ja, wie maakte zich daar toen druk om als er eens een rookpluim in het Buitenveld omhoog ging?
En dan was het vaak ook nog een heel eind lopen om er bij te komen, dus daar had niemand belang bij.
En al helemaal niet omdat er nooit een mens bij aanwezig was.
Dat kon toen nog!
Het was een mooie tijd, die ik nooit zal vergeten.
Zaken die toen heel normaal waren zijn nu niet meer mogelijk door regelgeving en veranderende inzichten.

Geef een reactie